Het gaat om 28 witte marmeren treden die volgens de traditie afkomstig zijn uit het pretoreum van Pontius Pilatus in Jeruzalem.
Jezus zou er tijdens zijn Passie overheen zijn gelopen op weg naar zijn verhoor.
Volgens de overlevering liet keizerin Helena, moeder van Constantijn de Grote, de trap rond 326 naar Rome overbrengen.
In de middeleeuwen heette hij Scala Pilati.
In 1589 liet paus Sixtus V de trap verplaatsen naar de huidige plek, voor de kapel Sancta Sanctorum (Heilige der Heiligen), de oude privékapel van de pausen.
Het gebouw werd ontworpen door Domenico Fontana.
De originele marmeren treden zijn bedekt met hout ter bescherming; pelgrims mogen de trap alleen knielend beklimmen.
Op enkele treden zitten glazen vensters waar volgens de traditie bloedsporen van Christus te zien zouden zijn.
Boven aan de trap ligt de Sancta Sanctorum, met onder meer een beroemde Christusicoon die volgens de traditie niet door mensenhanden is gemaakt.
Het heiligdom wordt sinds 1854 beheerd door de Passionisten.
Het is een belangrijk bedevaartsoord.
Wie de trap in gebed en knielend beklimt, kan onder bepaalde voorwaarden een aflaat verdienen.
De authenticiteit van de trap als exacte trap uit Jeruzalem is historisch omstreden, maar de devotie is al eeuwenlang groot.














