Omdat Jezus volgens de leer bij de hemelvaart lichamelijk ten hemel steeg, gold dit als een van de weinige mogelijke lichaamsresten van hem op aarde.
De vroegste vermelding komt uit een apocrief kindheidsevangelie: een vroedvrouw zou de voorhuid in een albasten kruik met nardusolie hebben bewaard.
De bekendste versie van de legende zegt dat Karel de Grote het relikwie in 800 aan paus Leo III schonk bij zijn keizerskroning (volgens het verhaal gekregen van een engel of van keizerin Irene).
Het belandde in Rome, werd in 1527 gestolen tijdens de Plundering van Rome en dook later op in Calcata (Italië).
Daar werd het tot 1983 vereerd; toen verdween het spoorloos.
In de middeleeuwen claimden tot wel 18 à 31 kerken in Europa zo’n relikwie (onder meer Antwerpen, Charroux, Chartres).
Het werd vereerd vanwege vermeende wonderkracht, onder andere bij vruchtbaarheid.
De Katholieke Kerk heeft de verering later sterk teruggedrongen.
Geen van de exemplaren wordt tegenwoordig nog als authentiek erkend.














